logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

ARCHEOLOGISCHE BEVINDINGEN NOORD-BRABANT met betrekking tot het eerste millennium n. Chr.

A.C. Maas  Leende

In een bespreking (1) van het proefschrift W.J.H. Verwers, North Brabant in Roman and Early Medieval Times (2) sloegen Arnoud-Jan Bijsterveld en Nico Arts een spijker op de kop met de volgende mededeling: In een proefschrift zoals dit zouden beschouwingen over bijvoorbeeld het nagenoeg ontbreken van bewoningssporen gedurende de vijfde en begin zesde eeuw, en over het geheel ontbreken van in het bodemarchief herkenbare overblijfselen van kerken en menselijke begravingen uit de Karolingische tijd, op zijn plaats zijn geweest.
Een interessante vraag met betrekking tot het zojuist verschenen boek Onder heide en akkers, een prestigieus publiekboek (3) dat geschreven is door Evert van Ginkel en Liesbeth Theunissen. Het is geen boek waarin wetenschappelijke vragen gesteld en besproken worden, dus bijvoorbeeld ook niet de relaties tussen (veronderstelde) historische bronnen en archeologische bevindingen. Ook geen disciplinair overzicht van de soorten onderzoek, bijbehorende hypothesen en bevindingen en resultaten met suggesties voor een verder onderzoeksprogramma. In de negen hoofdstukken wordt echter wel prima leesbaar een actueel algemeen overzicht geboden van wat veel archeologisch onderzoek te bieden heeft. Naast de behandeling van elk thema komt er iedere keer een belangrijk persoon, een interessante archeologische vondst en een belangrijke archeologische locatie aan de orde. In een schema geven we de inhoud weer.
 

Thema Persoon           Parel Plek
 1. De opbouw van de ondergrond van Noord-Brabant  Ad Wouters                Bladspits van Eindhoven Peelrandbreuk
 2. Het einde van de oude steentijd Nico Arts / Jos Deeben Danseres van Geldrop Panberg Eersel
3. De laatste jagers en de eerste boeren Broeder Christofoor Klingen van de Kraaijenberg Toterfout
4. Grafmonumenten en rituelen uit steentijd en bronstijd Willem Willems / Joan Willems Hilversumpotten uit Boekel Regte Heide bij Goirle
5. De urnenvelden uit de late bronstijd en ijzertijd Gerrit Beex Potten Breda Steenakker Slabroekse Heide Maashorst
6. De Brabantse ijzertijdmaatschappij Jan Verwers / Wijnand van der Sanden / Harry Fokkens Heiligdom van Zundert Someren-Waterdael
7. Het eerste optreden van Romeinen in Zuid-Nederland Nico Roymans Bronsdepot van Nistelrode Kessel-Lith
8. Noord-Brabant als onderdeel van het Romeinse rijk Jules Bogaers Grafvondsten uit Esch Deurne-Helenaveen
9. Kolonisatie, ontginning en staatsvorming tot 1200 Pim Verwers Rammelaar van Someren Sint Oedenrode

                           
Dit  nieuwe boek zal ik nu verder bekijken aan de hand van de zojuist genoemde constatering van Arnoud-Jan Bijsterveld en Nico Arts: dus de periode van de vijfde tot de tiende eeuw, zeg maar; de vroege middeleeuwen. Welke hoofdzaken kunnen we aanwijzen?

Vanaf de derde eeuw na Christus trekken de Romeinen zich uit ons land terug en nemen Franken de macht over en ze verdringen - volgens dit boek- ook de Bataven. Of de Franken echt een volk zijn geweest of dat het inheemse machthebbers waren, staat momenteel ter discussie. Van de Bataven horen we vanaf die tijd niets meer: waar kwamen zij terecht? De Franken laten zich enkele eeuwen later in het huidige Frankrijk zien als Merowingers. Er is in onze streken dan sprake van een zogenaamde post-Romeinse leegte van circa 300 tot 550 n. Chr. In de Romeinse tijd was er een relatief dichte bevolking (onze provincie telt vele vindplaatsen uit de Romeinse tijd) maar na het jaar 300 wordt dit gebied stil en leeg. Er zijn wel ‘schaarse tekens van leven’, maar vaak zijn die ook onduidelijk en discutabel. Het boek zegt dan ook: De vindplaatsen zijn echter niet allemaal even goed te dateren, en voor zover dat wel mogelijk is, hebben ze bestaan in de decennia rond 400 f rond 500. Het zijn echt donkere middeleeuwen (p.229).

In de zesde eeuw neemt de bevolking toe. Er wordt gesproken van een zekere kolonisatie. Belangrijkste aanwijzing hiervoor zijn de ‘bijna 20 Merowingische grafvelden’ die gedateerd worden tussen 550 en 650-700. Enkele vindplaatsen zijn: Alphen, Bergeijk, Meerveldhoven; Veldhoven-Oeienboschdijk, Hoogeloon- Broekeneind, Hoogeloon-Casteren. Bij de grafvelden horen uiteraard nederzettingen, waarvan vooral ‘plattegronden’ van gebouwen en gebouwtjes teruggevonden zijn. Hierover zegt het boek (p.233): Daarbij moet worden aangetekend dat bij dit onderzoek niet of nauwelijks gebruik kan worden gemaakt van exacte dateringsmethoden wegens gebrek aan geconserveerd organisch materiaal.

Daarna volgt een mysterieuze fase. Er worden geen graven meer gevonden. Raar, omdat het christendom – volgens het historisch onderzoek- onze regio bereikt heeft en lijkverbranding verboden is. We weten niet waar en hoe mensen begraven werden. Doden moeten toch wel vanaf circa 700 begraven zijn bij de eerste kerken en kapellen, zeggen de auteurs van het boek. Genoemd worden plaatsen als Waalre, Bakel en Meerveldhoven. Het boek noteert (p. 240): Maar van al deze en mogelijke kerken moet het eerste spoor nog worden teruggevonden. Op archeologische basis zijn er in Noord-Brabant geen resten aan te wijzen van kerken vr het jaar 1000. Het kan zijn dat de sporen van de eerste houten kerken zich (nog) niet laten onderscheiden van gewone huizen of schuren.

Zo komen we in de ‘Karolingische periode’ (750-900). Hier het historische verhaal van grootgrondbezit en domeinen en van heren en onvrije bewoners (lijfeigenen) maar ook vrije boeren. Onthullend is echter de volgende uitspraak in dit boek (p. 241): Ook hier is weer een waarschuwing op zijn plaats: de archeologie laat van dit alles weinig tot niets vermoeden. Herkenbare domeinen, althans de centrale delen ervan , zijn nog niet gevonden. Er is geen gebouw uit deze periode dat zich onderscheidt door zijn grootte, een omheining of omgreppeling of aan de hand van gevonden materiaal. Na 900 lijkt de bewoning zich negatief te ontwikkelen en gaan we de raadselachtige tiende eeuw in: Wat er ook gebeurde, de tiende eeuw is archeologisch tamelijk slecht grijpbaar (p. 243).

Terug naar de constatering van Bijsterveld en Arts. Dit nieuwe boek getuigt van de juistheid van hun stellingname en dat niet alleen: we zijn in wetenschappelijk opzicht niet verder gekomen. De auteurs van Onder heide en akkers kunnen we complimenteren met hun deskundige en eerlijke wijze van voorlichten. Tegelijk hebben ze een uitdaging gepresenteerd om de periode van het eerste millennium n. Chr. grondig te bestuderen.
----------------------------------------------------------
1. Brabants Heem vijftig jaar, Romeinse en vroegmiddeleeuwse boeren, p. 162 en 163
2. W.J.H. Verwers, North Brabant in Roman and Early Medieval Times, VU Amsterdam en ROB Amersfoort 1998
3. E. van ginkel en L. Theunissen, Onder heide en akkers. De archeologie van Noord-Brabant tot 1200, Uitgeverij Matrijs Utrecht 2009; het boek is erg duur uitgevallen (34,95 euro), ondanks de subsidies van de Provincie en het Prins Bernhard-Fonds, maar het is zonder enige twijfel een prachtig boek.


Valid HTML 4.01!