logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

De Romeinse helm van de Peel
 

Een discussie met teveel vooroordelen

A.C. Maas te Leende

In 1910 werd in de Peel onder meer de nu beroemde ‘gouden’ Romeinse helm gevonden en een paar jaar eerder verscheen de roman Het goud van de Peel van Herman Maas. De Romeinse helm was van verguld zilverblik het goud van Herman Maas was turf. Twee soorten goud dus, die niets met elkaar te maken hadden. Of toch wel?
Bijna 100 jaar later, in 2008 kon men op tal van plaatsen in Duitsland de helm afgebeeld zien ter gelegenheid van een dubbeltentoonstelling van grote kwaliteit, die een sterke inspiratie bood voor onderzoek en studie van het eerste millennium n. Chr. in Europa. Het ging om de gelijktijdige en samenhangende exposities Rom und die Barbaren. Europa zur zeit der Völkerwanderung en Die Longobarden. Das Ende der Völkerwanderung. De helm uit de Peel was een van de stralende onderdelen van de tentoonstelling (over de barbaren); hij komt uit het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, maar klaarblijkelijk is het orgineel nogal eens elders te bewonderen, in 2010 bijvoorbeeld ook in Helenaveen en in Neuenahr. Op dit moment kunt u in Leiden terecht, want er daar is nu een speciale expositie aan de helm gewijd.
In dit artikel schets ik eerst de persoonlijke aanleiding tot dit artikel, daarna ga ik in chronologische volgorde de regionale publicaties over de helm na (daarin komt de onderzoeksliteratuur vanzelf aan bod), en tenslotte volgen conclusies en overwegingen waarbij ik zoek naar de hypothese die de meeste gezichtspunten en feiten kan verklaren. De professionals en de amateurs hebben zo hun eigen ideeën. Daarbij zal blijken dat onnodig in tegenstellingen werd en wordt gedacht.

Aanleiding
In de jaren rond 1965 schreef ik een boek over H.H.J. Maas ( 1877-1956) die romans geschreven had die zich afspeelden in de Peel. Delen van mijn boek zijn indertijd onder meer in De Nieuwe Taalgids (brieven van Willem Kloos aan Maas), Maasland en Elsevier gepubliceerd. Ik kwam niet op het idee om het als boek uit te geven, waarschijnlijk omdat ik het geheel niet goed genoeg vond. Ik was jong maar had toch klaarblijkelijk wel wat zelfkritiek. ‘Grootmoedig’ schonk ik het manuscript aan het Letterkundig Museum. Op hoop van zegen en het werd zegen. Tot mijn verrassing speelde mijn werk een rol in een grondig historisch onderzoek van J. van den Dam en J. Lucassen: H.H.J. Maas, 1877-1956. Onderwijsman, literator en journalist., Tilburg 1976 (nr. 37 in de reeks Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland). Mijn artikelen werden daarin keurig vermeld. Van den Dam had in 1975 in Brabantia al een artikel gepubliceerd met de veelzeggende titel H.H.J. Maas, Extraversie in frustratie, waarin hij al mijn manuscript vermeldde.

In een boek over de Peel onder redactie van Matthias Kemp (Het land van de Peel, 1955) publiceerde Herman Maas een artikel Peelsprokkelingen. Het begint met de voor hem wel typerende zin: “Voor alles, wat ik hier ga schrijven, aanvaard ik de volle verantwoordelijkheid”. Dat komt erg goed uit, want in zijn artikel schrijft Maas uitvoerig over de helm van ‘een romeinsen honderdman, die in de Peel om het leven is gekomen’. Dit alles had ik al in mijn gedachten toen in 2010 in de regionale pers veel publiciteit ontstond over de verklaring van het verhaal achter de 100 jaar geleden gevonden helm.

Herman Maas (1955)
Over de gebeurtenissen in verband met het vinden van de Peelhelm schreven, volgens Maas, reeds eerder A.F. van Beurden en H.N. Ouwerling, maar het beste stuk is dat van WAM van Heugten, zegt Maas. Via Ton Spamer ontdekte ik dat Van Heugten in 1943 een tekst over de helm gepubliceerd had, namelijk in het Nieuwsblad van Deurne. In het boek Deurne en de Peel. Over mensen en dingen die voorbijgingen van 1979 bundelde Van Heugten een aantal artikelen over de geschiedenis van Deurne en het eerste artikel is een vrijwel ongewijzigde herdruk van het artikel uit 1943. Het is ontdaan van wat minder relevante passages, zinnen en woorden, maar het is werkelijk een herdruk, waarin niets onvertogens te lezen is. Integendeel, Van Heugten schrijft in een zeer aangename betoogtrant. Onder de helm ziet hij een honderdman of een officier zitten, en daarvan zegt hij: ”Dat de gevonden voorwerpen in het zwarte veen, dus het moeras van dien verren tijd, lagen, pleit overigens voor de veronderstelling, dat de drager van de helm verdronken of gestikt moet zijn.”

De toen 78-jarige Herman liet zich in zijn stuk Sprokkelingen van zijn beste kant zien: veel informatie over de Peel, vanuit eigen ervaring en waarneming en ook vanuit een brede documentatie en belezenheid, in een bondig bestek en toch prettig leesbaar. Hij vat het verhaal van de helm duidelijk samen. De voorwerpen (helm, 41 munten, deel van pijlkoker, twee mantelspelden, een gouden spoor en een paar stukken schoeisel en een partij leder, en verder een leren dolkschede, maar geen dolk, zwaard of speer) werden gevonden tussen het grauwe en zwarte veen, maar van mens noch paard werd er iets teruggevonden, en dat is toch wel opmerkelijk. En kan het zijn dat een Romeins officier ongewapend door de Peel is getrokken? Er is volgens Maas wel een verhaal rond de Peel over een boer die omstreeks 1850 een ‘gouden zwaard’ gevonden zou hebben. De verkoop van de helm ‘voor een spotprijs’ aan het Rijksmuseum voor Oudheden noemt hij een ‘kwanselpartijtje’ ¹. Hij noemt zeven in Europa gevonden helmen die onderling grote overeenkomst vertonen in bouw en bewerking en gemaakt zijn in rijkswerkplaatsen in Constantinopel. Van de stukken leer neemt hij aan dat ze van een schabrak of ‘sierlijk paardedek’ zouden stammen. Interessant in verband met de sage van de dolende ridder(s) is de volgende verwijzing van Herman Maas: “De bekende romanschrijver J.F. Oltmans (hist. romans) laat op een krijgstocht tussen de Maas bij Lottum en Venlo enerzijds en Den Bosch anderzijds in ‘Het slot Loevestein in 1570’ enige zwaar geharnaste en bewapende ruiters in de modder smoren, terwijl andere toch behouden in Den Bosch aankomen”. Hij kan alleen de Peel bedoeld hebben, constateert Maas, maar voegt eraan toe dat er geen enkele archeologische ondersteuning is voor dit verhaal. “Lustige romantische fantasie”, is zijn conclusie.

Leo Kluijtmans (1974)
In 1974 publiceerde Leo Kluijtmans, bijgenaamd de ziener van de Peel, zijn boek Witte magie. De gouden helm uit de Peel. De hoofdzaken uit dit geschrift maar ook uit andere teksten zijn in het tweede deel van het recente boek van zijn zoon opgenomen: E Palude Emergo. Uit het veen kwam ik boven. Nieuwe feiten en inzichten Peelvondsten (2010). De tekst van Leo is getiteld Mystiek van de oude Peel. Hij volgde de sage van de dolende Romein en was er van overtuigd dat de Romeinse officier met geweld om het leven was gebracht. Onder meer wees hij op de vondst van stenen (‘slingerstenen’) en stenen pijlpunten die door de bevolking in die tijd nog wel degelijk gebruikt waren of konden zijn. Zijn verhaal wordt zeer bijzonder als hij gloedvol verhaalt dat de omgekomen Romein hem op 1 mei in 1960 is verschenen, niet lang na de grote Peelbrand in 1959 die tot in Keulen overlast veroorzaakte. Leo raakte toen in de eeuwigheid, zoals hijzelf zegt. Hij komt zelfs de naam van de Romein te weten, namelijk Basilius. Op de gevonden helm staat dat deze Romein behoorde tot het zesde legioen van de Stablesiani, een legioen, dat diende onder keizer Constantijn de Grote, aan wie enkele jaren geleden een nogal tegenvallende expositie in Trier werd gewijd. Basilisus dus…..Leo Kluijtmans smacht 13 jaar lang naar een volgende ontmoeting. In de nacht van 26 op 27 augustus 1973 is het zo ver; hij ontmoet de Romein weer en maakt kennis met een andere Romein uit de 2e eeuw, Romuld genaamd. Een uittreding, zegt Kluijtmans. Met zijn tweede lichaam (het astrale) kwam hij in vroegere tijden terecht. In dertien jaar is hij naar deze topervaring gegroeid. Hij typeert deze als volgt: “Omdat ik begrepen heb dat Jezus Christus er een rol, een hoofdrol, in speelt, is het voor mij exact bewezen dat ik de eer heb Zijn Boodschapper te worden”.

Er is ongetwijfeld een neiging om dit soort openbaringen terzijde te schuiven. Wie het hoofdstuk Spirituele diepgang en sociale bewogenheid in Cappadocië in het boek Bevrijd en gebonden. De kerk van Constantijn (2006) doorleest, het gaat voornamelijk over Basilius de Grote (330-379 n. Chr), komt toch erg opvallende overeenkomsten tegen tussen deze tekst en passages van Leo Kluytmans. Deze overeenkomsten bewijzen natuurlijk op zichzelf niets. Het is alleen opmerkelijk. Een verklaring zou kunnen zijn dat hij op een of andere manier gehoord heeft van of gelezen over leven en werk van Basilius. Een te veronderstellen relatie tussen Cappadocië roept ongetwijfeld ook scepsis op. Maar hier staat weer tegenover dat Brugge volgens een Basiliusplaats is: in de Sint Salvatorkathedraal worden relieken van hem bewaard en op de Burg is er een Sint Basiliuskapel in de Heilig bloed-Basiliek, de enige tamelijk volledig bewaard gebleven Romaanse kerk in West-Vlaanderen. Zo ver verwijderd is het thema dus ook weer niet.

Het staat voor mij vast dat Leo Kluijtmans goudeerlijk zijn ervaringen en herinneringen vertelt. Geen twijfel aan integriteit en autenticiteit. Zijn stijl is hier en daar de wat opgeschroefde taal van een intelligente amateur die veel informatie als een spons opgezogen heeft, met veel voorstellingsvermogen, een man die denkt en schrijft in kringen of wolken van gedachten, die daardoor een zekere immuniteit krijgen en zich moeilijk lenen voor een zorgvuldige discussie. Dit meer artistieke en religieuze denken botst bij voorbaat met de meer lineaire argumentatie van historici en archeologen. Merkwaardig is wel dat je in diverse passages, ook in de aangehaalde teksten in het verhaal van zijn zoon, denkt dat Kluijtmans inderdaad een vooruitziende feeling had. Hij schrijft bijvoorbeeld over landbouw en grondpolitiek, over sociale verhoudingen en economische situaties op een manier die anno 2010 actueel is. In andere passages gaat hij wel erg ver met het zichzelf toedichten van unieke eigenschappen. “…mijn geestelijke kracht is niet te vergelijken met een gewone mens…”, zegt Leo met de nodige zelfkennis, en hij is “ver doorgedrongen in de vierdimensionale levensbeelden”. Naast de dimensies van lengte, breedte, hoogte/diepte is er inderdaad het verschijnsel ‘tijd’ en bij Leo Kluijtmans is dat het contact met de wereld van de doden.

Nico Arts (1998)
Dat er een Romeins officier in de Peel verdwaald was (een dolende ridder) en daar jammerlijk om het leven gekomen, zoals de overlevering vertelde, geloofde een aantal wetenschappers al langere tijd niet meer. W.C. Braat ging nog wel uit van een verdronken hoofdman volgens een artikel in een Duitse publicatie uit 1973 over Romeinse helmen. Nico Arts bracht de interpretatie van een depositie in 1998 naar voren in een artikel Romeins drama in Helenaveen. Nieuwe mythe rond Gouden Peelhelm (Noordrabants Historisch Nieuwsblad, november 1998). “Op basis van de ouderdom van de jongste munten kan de depositie van de helm in of kort na het jaar 319 worden gedateerd, aldus Arts. Verder beweerde hij dat de sage van de dolende ridder pas na 1910 ontstaan zou zijn. Hij dreef ook wel de spot dreef met de magie en mystiek rondom de helm die vooral door toedoen van Leo Kluijtmans (Witte magie. De gouden helm uit de Peel, 1974) ontstaan was. Kluijtmans was er zwaar van overtuigd dat er een Romein met geweld om het leven was gebracht, en dat staat ook op het monument (1998) in Helenaveen, een dorp dat overigens in 2010 (100 jaar na de vondst van de helm) door een soort tornado getroffen werd. Leo Kluijtmans zou dit ongetwijfeld als een bijzonder teken opgevat hebben. Het monument werd in 1998 onthuld en dat was de aanleiding voor het artikel van Nico Arts. Op het monument zijn de volgende teksten aangebracht: E Palude Emergo en Hier werd in 1910 de helm teruggevonden van een Romeins officier die rond 320 omkwam. Arts vermeldde in het artikel van 1998 ook dat volgens de archeoloog-lederdeskundige Carol van Driel het gevonden leer van een zak was waarin de helm paste en dat volgens het pollenmanalytisch onderzoek van de expert Hans Joosten het toenmalige veen op de vondstlocatie zeer ondiep was en dat verdrinking en verstikking van een ruiter met paard onmogelijk was. Er waren geen menselijke of dierlijke resten gevonden. De conclusie van Arts was duidelijk: een doelbewuste depositie, dus een votiefdepot. Het monument in Helenaveen was volgens hem misplaatst en de titel van zijn artikel (Romeins drama) moet daar wel op slaan. Het feit dat op de vondstplaats stenen pijlpunten gevonden waren en dat die in verband gebracht werden met een moord was in de ogen van Arts een anachronisme; de steentijd was immers in de Romeinse tijd. Het tijdschrift IN Brabant weigerde in 2010 een artikel van Huub Kluijtmans, omdat de redactie voorkeur had voor een objectief deskundige, namelijk Nico Arts. De stellingname van Arts komt verderop in dit artikel aan de orde.

Het congresboek van 2006
In 2006 werd in Meyel over de helm een voortreffelijk congres gehouden en ter gelegenheid daarvan verscheen onder redactie van J. Pouls en H. Cromvoets het boek De gouden Helm uit de Peel. Feiten en visies, een schittererend boek. Het congresboek van 2006 lag in het verlengde van het artikel van Nico Arts. Er was duidelijk een archeologische behoefte aan een nieuwe zienswijze. Zorgvuldige lezing van de teksten (van Jos Pouls, Carol van Driel-Murray, Hans Joosten – Pim de Klerk – Klemens Karkow en Anja Prager, Nico Arts, Aitor Irarte, Maarten Dolmans en Herman Crompvoets) levert echter nogal wat voorbehoud op. Daar zal ik in deze passage het accent op leggen. De interpretatie is nu dat een Romeinse barbaar (een Germaan) die in het Romeinse leger ongetwijfeld een hoge functie had in de Peel zijn militaire leven ritueel afsloot met een offer aan de goden om vervolgens met hopelijk veel succes aan een volgende fase te beginnen in zijn leven, waarschijnlijk als villa-eigenaar en grootgrondbezitter. Zo langzamerhand weten we nu wel dat Romeinen en ‘Barbaren’ soms vijanden waren maar vaak ook niet.

Het boek start met een mooi overzicht van Jos Pouls van de activiteiten in verband met het vinden van en het onderzoek van onder meer de helm. Hij probeert een balans op te maken uit het grote geheel van informatie. Voor de traditionele theorie ontbreekt elk wetenschappelijk bewijs, stelt Pouls, en hij merkt wel op dat de legende van de verdronken Romein kennelijk al bestond vóór de datum van de vondst. Waarom Pouls het dan vreemd vindt dat archeologen als Holwerda, Evelein en Braat aan dat verhaal toch een bepaalde waarde toekenden is niet duidelijk. Dat er een crematie plaats gevonden zou hebben (vanwege de asresten) met vervolgens een bijzetting acht hij mogelijk maar “de bewijsvoering voor deze visie is (nog) ondermaats”. Pouls brengt zijn mening terecht voorzichtig.

Nico Arts zelf herhaalt niet zijn artikel van 1998 maar publiceert een verhaal over de archeologische betekenis van natte plaatsen op de Zuid-Nederlandse zandgronden: archeologische vondsten op die plaatsen “worden tegenwoordig over het algemeen meestal geïnterpreteerd als een neerslag van ritueel handelen”. In de periode van 800 v. Chr. tot het begin van onze jaartelling lijkt echter het offergedrag volledig onderbroken, maar in de Romeinse tijd keert het deponeren van offers op natte plaatsen terug. De vondsten van de sierschijf van Helden (1e eeuw n. Chr) en de helm van Deurne (4e eeuw) lagen niet in beekdalen maar in veen, en dat is (in deze regio) uitzonderlijk. Op het einde van zijn artikel maakt Arts een belangrijke relativerende opmerking, namelijk deze: “De grens tussen votiefgaven en verloren gegane voorwerpen is immers moeilijk te trekken”.

Door het artikel van Carol van Driel zien we dat er heel wat meer leder was dan enkel een zak om een helm in te doen; zij reconstrueert hier (uiterst knap) uit de gevonden fragmenten een kleine tent. Zij besprak de Deurnese vondsten al eerder in een artikel in de Bonner Jahrbücher: A late Roman assemblage from Deurne (2000). Zij is de felste verdediger, waarschijnlijk de initiator, van de depositie-hypothese. Haar eerste bewering in dat opzicht is deze: “Het geheel is opzettelijk weggestopt in een ondiep vennetje, zoals het pollenonderzoek van Hans Joosten bevestigt. Dit is een zorgvuldig geconstrueerde depositie, niet de neerslag van een tragisch ongeval”. Het pollenonderzoek zegt normaliter echter alleen maar dat de voorwerpen er in een bepaalde geologische situatie lagen, en wat Carol van Driel daar aan psychologische componenten toevoegt (‘opzettelijk’ en ‘zorgvuldig geconstrueerd’) is niet meer dan een mogelijke interpretatie. Dat geldt ook voor haar bevinding dat de gevonden munten (39, 41 of 42 en waarschijnlijk nog wel meer) een bepaalde selectie laten zien van Constantijn-munten en dat dat gegeven weer de depositie bevestigt. Ook nogal kort door de bocht: iemand kan immers om andere redenen een verzameling Constantijn-geldstukken bijeengegaard hebben.

Het artikel over de natuurlijke context en vindplaats (van Hans Joosten c.s.) laat mogelijkerwijs zien dat van verdrinking geen sprake kan zijn, en dat is van belang om enkele veronderstellingen uit te sluiten. De amateurs in deze discussie denken inzake het pollenonderzoek misschien beperkt. Ze gaan er namelijk vanuit dat de (gevaarlijke) situatie van het zwartveen in de 20e eeuw aantoont dat Joosten ongelijk heeft. Saillant is hier natuurlijk het verhaal van de machinist die in 1968 aan het afgraven was en ternauwernood aan de verstikkingsdood ontsnapte. Joosten heeft zijn onderzoek kunnen baseren op pollen die op het gevonden leder aangetroffen werden en dus wel van de vindplaats afkomstig kunnen zijn, op uitslagen van veenboringen in 1919 en op eigen onderzoek in een totaal verstoorde situatie. Hij concludeert dat er sprake geweest moet zijn van ondiep veen op de vindplaats en “dat het vondstmateriaal hooguit enkele decimeners diep in het al bestaande veen is ingebracht/geraakt en er deels bovenuit heeft gestoken op een plek die nog een tijdje open water is gebleven”. Rare dispositie. Let op het de uitdrukking ‘ingebracht/geraakt’. Joosten gelooft niet zo in een depositie. Dat is al helemaal duidelijk als hij stelt dat het terrein bij de vindplaats indertijd goed begaanbaar was en zelfs een weg geweest kan zijn.

Een indrukwekkend verhaal wijdt Aitor Iriarte aan de reconstructie van de militaire uitrusting, prachtige vormen van experimentele archeologie. In de bespreking van de omstandigheden van depositie zegt hij: “Zelfs als er geen slachtoffers zijn geweest kan de depositie zijn veroorzaakt door een ongeluk”. Een depositie per ongeluk dus. Plausibel, meent Iriarte, maar toch onwaarschijnlijk, want het was er zo ondiep dat “een gevallen bundel gemakkelijk geborgen had kunnen worden” en “niet alle gedeponeerde stukken zaten in één pakket”. Iriarte bewijst hier de tegenstanders van de depositietheorie wel een erg grote dienst. Hij is het ook niet eens met de veronderstelling van Carol van Driel dat het offer werd gebracht door een teleurgestelde zich uit dienst terugtrekkende Romeinse officier van Germaanse afkomst. Vooral het ontbreken van een militaire riem wijst daar volgens hem op. Hij oppert ook dat de helm reeds incompleet kon zijn “toen hij in het moeras kwam” en hij is overtuigd van het feit dat er sprake is van de militaire uitrusting van ‘minstens twee soldaten van verschillende rangen’. In zijn epiloog doet hij de deur helemaal dicht. De boodschap lijkt te zijn: hou op met dat opgeklopte denken.

Een artikel van bijzondere kwaliteit is van Maarten Dolmans die op basis van kennis over de Romeinse legers op zoek gaat naar de ‘Equites Stablesiani’ (eenheden waarvan je mag veronderstellen dat ze verstand hadden van paarden) en probeert de man van Deurne in beeld te brengen. Hij beschrijft ook helder de hervormingen die keizers rond 300 n. Chr. doorvoerden (vooral Diocletianus en Constantijn). Onder Constantijn leeft de Romeinse militaire macht in ons deel van West-Europa duidelijk op: nieuwe forten en vernieuwing van oude forten langs de grote rivieren, de inrichting van het verdedigingssysteem van de Litus Saxonicum, herstel van belangrijke wegen (zoals Keulen – Bavay) en de bewaking ervan. Ook rond de Peel-regio is er veel activiteit. “Het is dan ook mogelijk dat enige tijd voor de depositie van de helm te Deurne, op enkele kilometers afstand een Romeins leger onderdeel actief is geweest”, meent Dolmans. Bedoeld is een locatie rondom Blerick. Dolmans oppert dat de man met zijn bedienden vanuit het Maasgebied via de Peel op weg was naar een andere locatie en hij concludeert het volgende: “Mogelijk is daarbij zijn in een tent ingepakte bagage van een muilezel gevallen en onder water geraakt, om pas 1600 jaar later te worden teruggevonden. Zeker is wel dat er geen sprake is van een ongeluk met dodelijk afloop, daarvoor was het veen te ondiep”. Niks ongeluk maar ook geen depositie dus, volgens Dolmans.

In het meer heemkundige artikel van Herman Crompvoets komt de kwestie van de legende het duidelijkst naar voren. “Een feit is dat er van een duidelijke bron van vóór 1910 niets is gebleken, zegt hij. Maar wel meldt hij dat twee en een halve maand voor de vondst een legende is gepubliceerd door A.F. van Beurden, maar deze legende over een omgekomen Romeinse officier slaat op het toponiem Schatberg dat ongeveer 5 kilometer van de vindplaats van de helm afligt. Dat dit of een dergelijk verhaal al langer bestond acht hij aannemelijk. Hij bespreekt ook de visie van Leo Kluijtmans die de moord opvatte als een strijd tussen kwaad en goed. Crompvoets schrijft hier respektvol over, maar de slotzin van zijn betoog zet dat respekt enigszins op losse schroeven

Het congresboek overtuigt absoluut niet in de poging om een nieuwe interpretatie te onderbouwen. Wie de moiete doet om goed te lezen ziet de tegenspraken en de twijfel bij de archeologen. Maar het is wel een belangrijke stap in het verdere onderzoek. Je kunt je wel afvragen of je een boek het beste voor of na een congres kunt uitgaven. Nu blijven uiteenlopende standpunten zweven.

Huub Kluijtmans (2010)
Het boek van Huub Kluijtmans is ook een eerbetoon aan zijn vader die door Huub ook als ‘ziener’wordt beschouwd. De oprichting van een wij-altaartje in Helenaveen voor de Romeinse ridder in 1998 (door Nico Arts een historische ramp genoemd) was ook een wens van zijn vader. Huub Kluijtmans schenkt veel aandacht aan de bijzondere geologische omstandigheden van de vindplaats, de ruimtelijke ordening en vooral de afgraving van het betreffende veengebied, en daarbij speelt het verhaal van een bijna verongelukte machinist in 1968 een belangrijke rol: het is voor hem een aanwijzing voor het bijzonder verraderlijke terrein: ‘een ingegraven badkuip’. Inderdaad een feit dat niet weggepoetst moet worden. Ook hij is een overtuigd voorstander van de theorie van een gewapend treffen. De ‘getuigenverklaringen van het eerste uur’ (de bij de eerste vondst direct betrokkenen) acht hij belangrijker dan de mening van hedendaagse deskundigen. Zijn opvatting dat ook in de Romeinse tijd stenen pijlpunten door de autochtone bevolking werden gebruikt is naar mijn mening realistisch.

De omstandigheden van en de betrokkenen bij de vondst op 17 juni 1910 bespreekt hij nauwgezet. En dan duikt in zijn verhaal het punt op van een lans (volgens een getuige een smerig stuk taai hout dat niet kapot te krijgen was) of de brokstukken ervan, of was het een bisschopsstaf? Er zijn ook getuigen met verhalen over een wijnvaatje en andere voorwerpen die in de loop van de tijd zijn verdwenen. Het gebied ligt ook dichtbij de Romeinse weg van Nijmegen naar Maastricht en op die weg kwamen uiteraard andere wegen uit, met hier en daar wachttorens. Belangrijk is uiteraard het verhaal van de legende van de dolende ridder, of kennelijk officieel: De legende van Leliëndaal. Huub Kluijtmans legt een (onduidelijk) verband tussen deze legende en een tekst van Joannes Ludophus van Craywinkel van het klooster Leliëndaal in Mechelen uit de zeventiende eeuw. Er blijkt bij nader onderzoek echter geen enkele verband met de Peel. Waarschijnlijk stamt het leggen van zo’n relatie van de sagen-verzamelaar Jacques Sinnighe (Breda) die niet terugschrok voor creatieve sprongen. De betreffende Peel-legende beeldt inderdaad een strijd uit tussen een kleine Romeinse legereenheid en de regionale bevolking, met als resultaat de hoofdman die in het moeras omkomt. Allerlei andere archeologische vondsten, zoals de sierschijf van Helden (in 1807 gevonden), en een Romeins zwaard en vondsten op de Houwerberg, worden met deze strijd in verband gezien, waarbij niet duidelijk de datering van de vondsten in acht wordt genomen.

Huub Kluijtmans beschrijft ook dat het Christendom in de periode van Constantijn in de Limburgse regio (ook Nijmegen, Xanten) bekend werd, al of niet in een Ariaanse versie. In het spoor van zijn vader vraagt Huub Kluijtmans zich af of de Romein (Basilius dus) wel een militair was of een missionaris (een bisschop) of beide. Hij noteert: “Daarom is het mijns inziens niet uitgesloten dat onder directe regie van de keizer missies met christelijke taken geleid en begeleid werden door het ruitercorps van de Equites Stablesiani”. De gevonden fibula ziet hij als een kruisfibula en de in mootjes gehakte lans als een bisschopsstaf. De aanvallers waren Arianen die dus nog bekeerd moesten worden tot het ‘ware’ christendom. Een devotie-offer past volgens hem niet in deze tijd van opkomend christendom. De veronderstelde Romein zou de eerste christelijke martelaar ons land zijn.

Constantijn de Grote en de Barbaren
In de omvangrijke catalogus bij een tentoonstelling in 2008 in Bonn wordt Der Helm von Deurne beschreven door Ruurd Halbertsma van het RMO in Leiden. In de publiciteit in verband met deze expositie was deze helm dominant aanwezig, maar in de Nederlandse media kwam ik geen enkele bericht tegen waarin dat vermeld werd. Halbertsma omschrijft de vondst in de Peel als volgt: de helm, 39 munten, een spoor, twee klokjes, de zilveren spits van een zwaardschede, een mantelspeld, vier schoenen (de resten van drie paar van verschillende grootte) en verschillende leer- en textielfragmenten. De leerfragmenten betreffen ook een één-persoons-tent. De helm is naar zijn mening “nicht römisch und zeigt den Einflusz exotischer sasanidischer Beispiele aus Persien, die von Kaiser Konstantin in die Römische Armee eingeführt wurden”. Halbertsma mengt zich niet in de archeologische discusie. Hij zegt dat gebleken is dat de helm niet gedragen werd, “als er in Sumpf versank”. Hij vermeldt ook het volgende: “Es scheint, dass das in Deurne gefundene Ensemble zusammengepackt worden war und entweder im Sumpf verloren oder absichtlich im Wasser deponiert wurde…” En in de laatste situatie zal het gaan om een officier van Germaanse afkomst in het Romeinse leger. Halbertsma baseert zijn tekst enkel op die van archeologische experts en vermeldt niets van en over regionale auteurs.

Zijn passage over de helm stemt overeen met het hoofdstuk Konstantin und das Heer uit de al even zware Ausstellungskatalog bij de tentoonstelling Konstantijn de Grote die in 2007 in Trier plaats vond. Velerlei literatuur over het Romeinse leger is hier samengevat. In de tijd van Constantijn bereikte het leger zijn grootste omvang. Dat betekent dat niet meer dan 500.000 Romeinen in militaire dienst waren, verdeeld over 67 waarschijnlijk kleinere legioenen dan voorheen, namelijk: 28 in de Orient, 17 langs de Donau, 10 langs de Rijn, 3 in Brittanië, 1 in Spanje en 8 in Afrika. Daarbij en daarnaast waren er de hulptroepen die grotendeels gevormd werden door niet-Romeinen. Zo wordt bijvoorbeeld wat betreft de Varusslag in Noord-Duitsland duidelijker dat daar vrije Germanen vooral tegen door Rome ingehuurde Germanen vochten. Wat de kwestie van rangen in het Romeinse leger betreft lijkt de Peelhelm-officier tot de groep van de protectores te behoren: zonen van hoge officieren of van Germaanse vorsten of mensen met een lange bewonderenswaardige staat van dienst in het leger.

Alexander Demandt meldt het volgende: “Etwa ein Drittel der Heermeister des 4. Jahrhunderts war Germanischer Herkunft, im 5. Jahrhundert hatten sie die übermacht. Daar komt nog bij dat Germanen hun trouw aan de keizer een gedane zaak vonden als de keizer stierf. Wat de helm betreft komen we te weten dat Constantijn een nieuw soort helm invoerde en dat de helm uit de Peel daar een exemplaar van is. Ze werden (trouwens al sinds Diocletianus) in fabrieken vervaardigd, onder meer in Byzantium of Constantinopel. Ook het christogram was onder Constantijn algemeen. Er staat een prachtige helm afgebeeld die gevonden is in Berkasovo en die meteen doet denken aan de helm van Helenaveen. In deze catalogus staat de volgende passage over de helm van Kessel: “1997 jedoch wurden in der Niederländischen Provinz Nord-Limburg 15 Fragmente eins Helmes gefunden, an dessen Stirnseite des Helmkamms ein auf den Kopf stehendes schlüssellochförmiges Zierfeld angebracht ist, das im runden Feld mit einem Christogramm verziert ist. Lange Zeit wurden entsprechende Zierstücke, die vor allem in den nördlichen Grenzprovinzen des Römischen Reiches belegt sind als Klerikerschnallen angesprochen”. Deze helm wordt zowel in het congresboek als in het boek van Huub Kluytmans min of meer terloops genoemd. Mogelijk een aangrijpingspunt voor verder onderzoek

Conclusies en overwegingen
Een archeologische kernzaak is dat de vondst totaal ongecontroleerd heeft plaats gevonden. Er is dus van een tijdig archeologisch onderzoek geen sprake, alleen van achteraf-onderzoeken van overgebleven vondsten. Er is dus geen nauwkeuige situatietekening uit de eerste hand van de preciese vondstplaatsen van de diverse objecten: de helm, de munten, de pijlpunten e.d. Ingepakte en bij elkaar liggende vondsten wijzen de ene richting uit en meer verspreid liggen vondsten een andere. Nog scherper: wat troffen de turfstekers aan? Mijn indruk uit de verhalen is dat de directe vondst bij elkaar lag, maar dat er ook verspreide vondsten zijn. Verspreiding van een aantal stukken kan echter een gevolg zijn van de ‘opgraverij’. Voor niet-directe vondsten van een steen (stenen) en stenen pijlpunten ligt de zaak anders. Als dit wapens van vijanden geweest zijn in deze omstandigheden dan is gespreide ligging aannemelijk. Verder is er in de verdere Peel-omgeving allerlei Romeins gevonden, maar die vondsten zeggen pas iets als de datering ervan tamelijk zeker is.

Uit de documentatie in verband met deze archeologische zaak kunnen we een aantal hypothesen afleiden. Hier volgen de meest evidente: .
1. Een dolende romein die omkomt op een verraderlijke plek in de Peel. Daar op weg zijn zonder paard lijkt absurd, dus we moeten een paard veronderstellen. Dat deze situatie geologisch onmogelijk is, lijkt geen sterk argument: wellicht hoef je niet al te diep weg te zakken om ergens niet meer weg te kunnen. En als het zo’n ondiep vennetje was, was het dan wel een geschikte depositieplaats? Maar van mens noch paard zijn sporen gevonden. Alle organisch materiaal kan vergaan zijn, maar dan lijkt er wel weinig materiaal teruggevonden te zijn dat direct bij een man en een paard hoort.
2. Een depositie, dus een votiefdepot, mogelijk van een Germaan die het tot officier in het Romeinse leger bracht en het einde van zijn militaire loopbaan passend vierde. Het is een meer antropologische visie, die in een materialistische cultuur vaak niet geloofwaardig overkomt, maar internationaal aanvaard is. De vondsten wijzen wel naar een aanzienlijk persoon. In het vondstmateriaal zijn resten van zeer dure kleding gevonden. Maar waar is die zo belangrijke militaire gordel? En er zijn kennelijk ook geen wapens meegegeven in ven of veen, of het zou een lans moeten zijn. En wie schenkt aan de Goden andersmans schoenen terug, want het staat vast dat de maten van het gevonden schoeisel niet van één persoon was.
3. Een crematie met dispositie: deze hypothese is alleen gebaseerd op de aanwezigheid van donkere plekken, mogelijkerwijs as, en in die as is niets aangetroffen dat herinnert aan een mens.
4. Een gevecht: er heeft inderdaad strijd plaats gevonden tussen de Romeinse officier al of niet met assistenten, vrijwel zeker te paard, en omdat er geen gevaar verwacht werd, had de officier zijn belangrijke spullen netjes ingepakt, zoals een militair dat behoort te doen. Tijdens een achtervolging en/of schermutseling (gevecht) is hij dat ‘ensemble’ (zoals Ruurd Halbertsma zegt) verloren in een gebied waar het moeilijk terug te halen was. De personen en paarden zijn (waarschijnlijk gehavend) ontkomen. Niet omgekomen maar ontkomen.
5. Een ongeluk: er was helemaal geen strijd, maar door ongelukkige omstandigheden (noodweer, bijvoorbeeld een tornado) werd van alles verloren, een groot deel ervan ingepakt in een tent. Paarden en personen liepen wel schade op maar niet tengevolge van geweld. Iemand kwam om, wel werd van alles verloren.
De beste hypothese is wetenschappelijk gezien de veronderstelling die het meest verklaart en dat is naar mijn mening op dit moment de vierde of – maar wel in mindere mate- de vijfde. De vierde hypothese geeft een realistisch antwoord op tal van vragen en overbrugt eigenlijk de ontstane controverses. Het ontbreken van dierlijke en menselijke resten is logisch, want er kwam daar geen paard of mens om. De helm in een foudraal is ook aannemelijk. Verschillende schoenen: deze zaten waarschijnlijk niet in het ingepakte ensemble (al is het niet onmogelijk), waren van verschillende personen, en dat is ook goed te verklaren. Dat de helm beschadigd raakte is overigens zeer aannemelijk te verklaren uit de wijze van opgraven (= uit de grond steken). Stenen en pijlpunten krijgen een begrijpelijk plaats als er sprake was van strijd en geweld. Het kwijtraken van het samengebundelde geheel past erg goed bij de situatieschets zoals Hans Joosten die opgesteld heeft. De aanvallers hebben niet gemerkt dat er materieel verloren ging.

Hoe komt het toch dat het zoeken naar de meest waarschijnlijke gang van zaken zo bemoeilijkt wordt door wederzijds dogmatisme? Belangrijke spelregel blijkt dat we uitgaan van wat werkelijk gevonden is (en waar precies) en niet van wat er gevonden had kunnen worden. Professionele archeologen en amateurs maken graag deze laatste fout. Om hun interpretatie kracht bij te zetten wordt verondersteld wat er nog gevonden behoort te worden. Een volgende spelregel is om hypotheses op te stellen en deze zorgvuldig te koppelen aan de werkelijke vondsten. Ook de hypothese van ‘tegenstanders’ en regionale en lokale amateurs in de afweging betrekken: alleen hierdoor komt de beste mogelijke discussie tot stand

Noten
¹ In Detector Magazine 113 van november 2010 werd de vondst van een paradehelm in Croby Garret (Engeland), beschreven, een helm die in oktober 2010 geveild is door Christie’s; de geschatte opbrengst zou tussen de 240.000 en 360.000 liggen, werd meegedeeld; de werkelijke opbrengst blijkt ongeveer 3.000.000 euro geweest te zijn.

Literatuur
Nico Arts, Romeins drama in Helenaveen. Nieuwe mythe rond Gouden Peelhelm, Noorbrabants Historisch Nieuwsblad, november 1998
J. van den Dam en J. Lucassen, H.H.J. Maas, 1877-1958, Onderwijsman, Literator en Journalist, Tilburg 1976
J. van den Dam, H.H.J. Maas, Extraversie in frustratie, Brabantia 1975
A. Demandt en J. Engemann, Imperator Caesar Flavius Konstantin Constantinus. Konstantin der rosse. Ausstellungskatalog, Trier 2007
Maaike Groot, Searching for patterns among special animal deposits in the Dutch river area during the Roman period, internet via google
R. Halbertsma, Der Helm von Deurne (Niederlande), in: Yann Rivière ( en vele andere auteurs), Rom und die Barabaren, Bonn 2008
W.A.M. van Heugten, De Helm van de Peel, Deurne 1943
W.A.M. van Heugten, Deurne en Peel. Over mensen en dingen die voorbijgingen, Deurne 1979
Th. Janssen, Reizen door de oude Peel, 3 delen, respectievelijk Honderd eeuwen Peelverhalen, Vaarten in Venen, een Peelmondriaan en 20e eeuw, mens en landschap in beweging, Sevenum 2001, 2004 en 2007
H. Kluijtmans, E Palude Emergo. Uit het veen kwam ik boven. Nieuwe feiten en inzichten Peelvondsten, Grashoek 2010
Jona Lendering en Arjen Bosman, De rand van het rijk. De Romeinen en de Lage landen (2010) van.
A.C. Maas, Herman Maas, leven en Werk (1966), niet uitgegeven (deels in tijdschriften gepubliceerd)
H.H.J. Maas, Peelsprokkelingen, in: M. Kemp, Het land van de Peel, Maastricht 1955
H.N. Ouwerling, Geschiedenis der dorpen en heerlijkheden Deurne, Liessel en Vlierden, Deurne 1933
J. Pouls en H. Crompvoets (red.), De Gouden Helm uit de Peel. Feiten en visies, Meijel 2006
Trouillez, Bevrijd en gebonden. De kerk van Constantijn (4e – 5e eeuw n. Chr.), Leuven 2006

EXPOSITIE IN HET RIJKSMUSEUM VOOR OUDHEDEN
Honderd jaar geleden deed turfsteker Gebbel Smolenaars een spectaculaire vondst in het moeras van de Brabantse Peel. Op 15 juni 1910 haalde hij geen turf uit de grond, maar een vergulde zilveren ruiterhelm uit de Romeinse tijd. En hij vond nog meer: een mantelspeld, een ruiterspoor, belletjes van een paardentuig en Romeinse munten. De gouden helm werd schoongepoetst en tentoongesteld in het huisje van Smolenaars. Voor tien cent kon men de schat komen bewonderen. Later werd de helm door het Rijksmuseum van Oudheden gekocht.
Deze kleine tentoonstelling gaat niet alleen over de Romeinse helm, maar ook over de verhalen die er honderd jaar lang de ronde over deden. Hoe is de gouden soldatenhelm in het moeras terechtgekomen? Wie was de mysterieuze ‘ridder van de Peel’? Is de schatvondst compleet teruggevonden? Op al deze vragen zijn de afgelopen honderd jaar verschillende antwoorden gekomen, al dan niet op feiten of op fictie gebaseerd. De ‘Peelhelm’ sprak velen tot de verbeelding. Het was dan ook een vondst van formaat; een van de belangrijkste archeologische ontdekkingen van de twintigste eeuw in Nederland.
Een gedeelte van de nieuwe vaste afdeling ‘Archeologie van Nederland’ wordt voortaan gebruikt voor tijdelijke tentoonstellingen over onderwerpen uit de Nederlandse archeologie. Deze tentoonstelling over de gouden Peelhelm is de eerste in de rij.



Valid HTML 4.01!