logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

 

MAAKBAARHEID VAN HET VERLEDEN


A.C. Maas Leende

Eind 2009 publiceerde Arnoud-Jan Bijsterveld het boek Maakbaar erfgoed. Perspectieven op regionale geschiedenis, cultureel en identiteit in Noord-Brabant. Het bevat als eerste hoofdstuk zijn (hier en daar enigszins bijgewerkte) oratie van 2000 met de titel: Het maakbare verleden. Regionale geschiedenis en etnologie in Brabant op de drempel van de eenentwintigste eeuw. Het woord ‘maakbaar’, daar gaat het om in deze beschouwing. Naar mijn mening is dit woord een uitglijder. De heruitgave na tien jaar professoraat wettigt de gedachte dat het om een weloverwogen betoog gaat en dat het dus zinvol is om er eens aandachtig bij stil te staan. Dat Bijsterveld een goed pleiter is voor regionale geschiedschrijving en de kwaliteit daarvan staat bij voorbaat vast en blijkt ook duidelijk in dit boek. Het is te hopen dat hij vooral de bevordering daarvan via zijn leerstoel vol kan houden. Het beoefenen van wetenschappelijk verantwoordelijke culturele antropologie en etnologie is vanuit die post ook mogelijk maar minder noodzakelijk, omdat er andere voorzieningen zijn. Verder linguistisch onderzoek naar dialekten en regiolekten is inmiddels mogelijk. Naast deze wetenschappelijke benaderingen kunnen op en rondom die leerstoel ook andere belangen gaan zitten die verantwoorde regionale geschiedschrijving vertroebelen. Die troebelheid heeft duidelijk te maken met de interpretatie van ‘maakbaarheid van het verleden en van het erfgoed’. Deze k,westie vergroot ik in dit artikel uit. Het lijkt te gaan om een wat meer theoretische en abstracte kwestie, maar wel ÚÚn met mogelijk grote praktische gevolgen.

Bijsterveld gelooft in een maakbaar verleden en erfgoed en hij is van mening dat door historici ontwikkelde geschiedbeelden bijdragen aan zaken als een collectief geheugen, gezamenlijke identiteit en een bepaald gemeenschapsgevoel. Mooi klinkende maar in feite wel politieke doelstellingen, en daarom een kritische benadering waard. Zijn historici eigenlijk wel in staat dat collectieve geheugen te sturen?, vraagt hij zich af. Moeten we dat dan willen, denk ik dan. Wat betekent de uitdrukking ‘maakbaar’ in verband met erfgoed c.q. het verleden? Laten we dat eerst eens nagaan.

Dat er van het verleden zoals dat werkelijk geschiedde achteraf niets te maken valt, lijkt me nogal duidelijk. Het is zoals het was, al geef ik wel meteen toe dat wij daarvan vaak maar simpel op de hoogte zijn. Als het verleden niet maakbaar is dan kan de beschrijving van dat verleden bedoeld zijn. Maken betekent dan interpreteren en dan hebben we het over een interpreteerbaar verleden Dat is natuurlijk zo, maar dat inzicht is algemeen bekend. Bijsterveld meent dat historici in vroegere (?) perioden interpretaties opstelden die de belangen van een bepaalde macht dienden. Het ging dan dus om een soort voorgeprogrammeerde en ge´deologiseerde interpretaties. Betreffende historici schreven geschiedenis vanuit een bepaald belang en produceerden mythen. Ze schreven zodanig dat ze inderdaad geschiedenis produceerden (maakten). Het resultaat van hun werk ziet Bijsterveld natuurlijk niet als good practice voor de huidige en toekomstige generatie erfgoed-wetenschappers. Ik denk overigens dat de betreffende mythen-bouwers echt dachten dat ze met objectieve wetenschap bezig waren maar dat ze inderdaad in een bepaalde ideologie ingepakt bleken te zijn. Beschuldigingen van misleiding en van vervalsing zouden naar mijn mening veel te ver gaan, ook als daarvan inhoudelijk gezien eigenlijk wel sprake is.

Het verleden als werkelijkheid is niet met terugwerkende kracht maakbaar, de beschrijving ervan berust altijd op interpretaties. Het gaat dus om de kwaliteit van het interpreteren: als die te weinig op samenhangende feiten is gebaseerd, dan krijgen we mythen.Het lijkt er dus op dat Bijsterveld bedoelt dat het verleden maakbaar is in die zin dat historici juiste interpretaties moeten realiseren, dus geen mythen maken. Maar het merkwaardige is nu dat hij dit wetenschappelijke werk voorziet van maatschappelijke (politieke) doelen en die plegen nu eenmaal thuis te horen in een bepaalde ideologie over een gewenste maatschappij en dat is dus politiek. Het gaat dus niet zozeer om een maakbaar verleden maar juist over een maakbare toekomst. Geschiedschrijving kan daarvan zeker in dienst staan of gesteld worden (ook al weten we dat achteraf te ontmaskeren als mythe-vorming) maar de vraag is wel of je geschiedschrijving zo moet positioneren. De kern van de zaak lijkt mij dus dat Bijsterveld met zijn erfgoed-filosofie niet iets anders zal blijken te doen dan wat hij vroegere historici verwijt. Ze grepen voortdurend terug op het verleden, dat werd gereconstrueerd als beeld en of tegenbeeld van het heden en zo in zekere zin gemythologiseerd, constateert hij. Mijn mening is dat hij in dezelfde kuil valt als de kuil waarvoor hij waarschuwt, al is dat inderdaad in de actuele situatie niet gemakkelijk te zien.

Opvallend is dat Bijsterveld nogal beperkt melding maakt van het feit dat we gigantische makers van het verleden hebben gehad, dat ze er nu nog zijn ( bijvoorbeeld de historici die Julius Caesar, Bonifatius, Karel de Grote of de Vlaming Karel V als inspirerende voorzitters van de pre-Europese Unie zien) en dat ze er ongetwijfeld ook zullen blijven. Meestal zijn we over hun prestaties minder enthousiast. Alle totalitaire of schijndemocratische regimes blinken trouwens uit door geschiedenis zo te bedenken en te beschrijven dat het volk zo efficiŰnt mogelijk wordt ge´ndoctrineerd met een ideologie die voor de maatschappij wenselijk geacht werd. Wenselijk, zoals geformuleerd door het geheel van economische, bestuurlijke en politieke macht.

In de voorbeelden van mythevorming die Bijsterveld geeft (Brabant Katholiek, Brabant en Willibrord, Brabant als stiefkind van de republiek) kun je ook verbanden aangeven met het instituut Katholieke kerk, maar ook hier blijft Bijsterveld liever dichter bij huis. Hij stoot niet door naar het ideologische systeem dat direct of indirect de uitkomsten van historisch onderzoek be´nvloedt. Er zijn tal van historici en archeologen te noemen die overijverig de heersende macht dienden. De historici en archeologie die volgens onze achteraf-normen niet deugden deden in essentie precies wat Bijsterveld van ze vraagt, namelijk: geschiedbeelden ontwikkelen die beantwoorden aan de vragen en behoeften van de huidige of toenmalige samenleving. Dat is naar mijn mening niet de taak van historisch en archeologisch onderzoek en van geschiedschrijving.

Vanzelfsprekend mag de vraag gesteld worden of geschiedschrijving wel mogelijk is met uitschakeling van hedendaagse denkwijzen, gevoelens en beelden. Laten we maar aannemen dat dat niet meevalt, maar tegelijk ook het principe huldigen dat daar wel voluit naar gestreefd moet worden als het om wetenschappelijk verantwoorde geschiedschrijving gaat. Wat er gemaakt dient te worden is dus een zo kritisch en objectief mogelijke interpretatie van een zo groot mogelijk bestand van zaken die we feiten noemen.

Het erfgoed-werk moet betaald worden en dan lijkt het niet erg verstandig om politiek onwenselijke thema’s aan te kaarten. De doelen die Bijsterveld nu kiest voor het erfgoedwerk komen zonder meer sympathiek over: regionale identiteit, positieve toekomstgerichtheid en gemeenschapsgevoel. Je zou kunnen zeggen dat zulke doelen momenteel tegenwicht bieden tegen de nadelen van een kapitalistische ideologie die daardoor met minder morele zorgen haar gang kan gaan. De daarvoor beschikbare dienaren zullen uiteraard praten over het enthousiasmeren voor ons erfgoed en vooral voor een meer ‘instrumentele inzet’ daarvan. Je zou kunnen zeggen dat dit best mag mits de integriteit van onderzoek, studie en beschrijving van het verleden dominant blijft. Een die hoofddoelstelling betreft zo objectief-evenwichtig-genuanceerd mogelijke geschiedschrijving. Vanuit bezinning op kwaliteitskriteria van wetenschappelijk onderzoek is grote terughoudendheid geboden als naar een bruikbaar verleden wordt gestreefd.

Op dit punt kunnen we zeggen dat doelen en effecten verward worden. Wetenschappelijke geschiedschrijving heeft niet tot doel het bereiken van bepaalde maatschappelijke (politieke) doelen, maar die kunnen er wel het gevolg van zijn. Sterker nog: hoe objectiever gericht op ‘waarheid’ deste overtuigender voor de burger en deste meer kans op positieve gevolgen. Grondigheid en degelijkheid, dat is de voorwaarde en het doel van wetenschap. Uiteraard speelt bij het schipperen met het doel van wetenschap een rol dat in brede kring het denken in termen van ‘objectieve waarheid’ aan het wankelen is gebracht. Ook intellectuelen hoor je om de haverklap roepen dat de waarheid niet bestaat. Maar welke waarheid bestaat dan wel? Zelfs als je in het streven naar zo objectief mogelijke waarheid (noem het voor mijn part dan waarschijnlijkheid of geldigheid) veel onmogelijkheid ziet, dan nog zul je in wetenschappelijke werk dit streven toch als norm moeten hanteren. Laat ik een heel ander voorbeeld geven: ‘alle burgers onderkennen het verschil tussen goed en kwaad’. Iedereen weet dat dat niet zo is. Toch zullen we het met zijn allen moeten blijven aannemen (uiteraard met zekere uitzonderingen) omdat anders de maatschappij principieel onbeheersbaar wordt. Wie de gedachte van objectieve en intersubjectieve waarheid in het beschrijven van geschiedenis opgeeft, maakt van geschiedeniswetenschap iets anders. Geschiedschrijving als instrument voor maakbare toekomst is dan een soort praktische sociale wetenschap, die binnen het geconstrueerde referentiekader uiteraard historische bijdragen kan gebruiken die daarmee de positie krijgen van een subdiscipline binnen de menswetenschappen.

De filosoof Friedrich Nietzsche schreef ooit een opstel over het nut en nadeel van geschiedschrijving. Hij onderscheidde drie motiveringen en ik zou er nu graag ÚÚn aan toevoegen. Naast antiquarische geschiedschrijving (die uit is op behoeden en behouden), monumentalistische (gericht op bewondering en ontzag) en de kritische (die ontmaskering beoogt van mythes en vooroordelen) kunnen we de vierde motivering als volgt formuleren: instrumentalistische geschiedschrijving die direct dienstbaar is aan economische en politieke doelen. De antiquarische, monumentalische en kritsche geschiedschrijving kun je ook ideologisch verklaren, dus van een politieke ideologie voorzien, maar toch zijn ze anders van karakter dan de erfgoed-geschiedkunde die nu op rol is komen te staan. De idee of de illusie van waarheidsgetrouwheid is daar niet meer een norm. De nieuwe norm is: bruikbaarheid, niet als gevolg van wetenschappelijk werk maar als (liefst meetbaar en telbaar) doel bij voorbaat. Wie daaraan in alle enthousiasme en met alle deskundigheid moet voldoen, is gedwongen om maakbaarheid van het verleden en het erfgoed voorop stellen, maar krijgt wel een leerstoel.die inhoudelijk niet beheersbaar is.

Je kunt de burgers laten zien dat nationale Hollandse archieven wel eens andere accenten laten zien dan lokale en parochiale, dat de bronnen met betrekking tot Willibrord passen in politiek van de 12e eeuw en dat we tegelijkertijd kunnen beseffen dat Noord-Brabant niet alleen maar katholiek was (en altijd al ook allochtone bevolking kende) en dat het toch lange tijd een rooms bolwerk geweest is. Deze mythe-doorbrekende inzichten hebben tot gevolg dat er een betrokkenheid ontstaat bij een gemeenschappelijke geschiedenis volgens een geografisch criterium.Wetenschappelijke distantie en maatschappelijke betrokkenheid zijn op doelniveau niet met elkaar verenigbaar, juist distantie en onvoorwaardelijk integriteit van de geschiedschrijving (zowel door professionele historici en archeologen als door vrijetijdshistorici en – archeologen) planten gedachten en gevoelens uit ten aanzien van wat de machthebbers prediken als waardevol, noodzakelijk en zelfs onontkoombaar. Juist daardoor krijgt de burger vertrouwen en inspiratie Van de toekomst kan op basis hiervan wel iets gemaakt worden. Het is dan ook verheugend om in het laatste hoofdstuk van het boek te lezen dat Bijsterveld het eens is met dit betoog. De term maakbaarheid bij de termen ‘verleden’ en bij ‘erfgoed’ moeten we schrappen. Dus ook in de titel van het boek dat hier aan de orde kwam. Ik stel voor: Leerzaam erfgoed.

1. A.J. Bijsterveld, Maakbaar erfgoed. Perspectieven op regionale geschiedenis, cultureel erfgoed en identiteit in Noord-Brabant, Tilburg 2009
2. A.C. Maas, 50 jaar Brabantse Dag 1958-2007. Een gouden cultuurfestival, Heeze- Leende 2007, hoofdstuk 4, p. 197- 210
3. S. Neiman, Morele helderheid, Amsterdam 2008; zie NRC van 5 december 2009 (katern Opinie en Wetenschap)

Valid HTML 4.01!